1. De snelste zaadcellen brengen jongetjes voort

Zaadcellen die alleen mannelijk genetisch materiaal dragen (Y-chromosomen) zijn sneller dan de zaadcellen die het vrouwelijk genetisch materiaal dragen (XY-chromosomen), omdat zij het minste genetisch materiaal moeten transporteren.

Vrouwen die vertrouwd zijn met periodieke onthouding en goed hun eisprong herkennen, kunnen in theorie een paar dagen na de eisprong een kans wagen en gemeenschap hebben met hun partner als ze het liefst een jongetje willen krijgen. De snelste zaadcel die dan nog tot bij de te bevruchten eicel geraakt, zal het minste materiaal met zich meezeulen en zal dus een jongetje voortbrengen.

2. Het embryo: hoe ‘vreemder’, hoe beter

Het embryo is eigenlijk een vreemde in de baarmoeder. Je bent hem en zijn genen nog nooit tegengekomen en van nature zou je hem gaan afstoten, net zoals je een transplantatie-orgaan zou afstoten dat niet compatibel is.

Maar bij een zwangerschap geldt – paradoxaal genoeg – een andere wet: hoe vreemder het nieuwe wezen is ten opzichte van je lichaam, hoe beter. Hoe meer je van je partner verschilt en hoe minder je dus genetisch met elkaar verwant bent, hoe beter je lichaam kan herkennen dat er iets vreemds aan de hand is en dat er iets moet gebeuren, wil dit grote avontuur goed aflopen.

Evolutionair gezien is dat ook logisch: het bevordert genetische diversiteit en laat ons toe ons aan te passen aan de snel veranderende omgeving

3. Meer zuurstof dan nodig is (hyperventileren)

Eigenlijk hyperventileert elke zwangere vrouw een klein beetje. Je verzet per minuut 40 procent meer lucht, wat meer is dan nodig voor de zwangerschap. Daardoor vind je hogere zuurstofwaarden en lagere koolzuurgaswaarden in je bloed.

Voor de foetus is dat goed; hij krijgt veel zuurstof en raakt zijn koolzuurgas door de placenta heen gemakkelijk kwijt. Jij zelf zult wel de indruk hebben vlugger buiten adem te zijn. Heb je echt veel last (tintelingen in de vingers, een licht hoofd), dan helpt het om even in een plastic zak te ademen.

4. Zwangerschap is natuurlijke doping

Talrijke testen hebben proberen na te gaan of een foetus hinder ondervindt als de moeder relatief serieus sport (professionele competitiesport bijvoorbeeld), maar men heeft dit nooit hard kunnen maken. Dat een foetus bij het lopen geschud of zelfs geslagen wordt, is pure fantasie. En als we een zwangere vrouw een marathon zien lopen in een zeer behoorlijke tijd, om een week later een gezond kind ter wereld te brengen, dan moeten we ons eigenlijk vooral de vraag stellen of een zwangerschap de fysieke prestaties zelfs niet verbetert.

Het toegenomen bloedvolume en hartdebiet kan verklaren dat er meer zuurstof naar de spieren wordt gebracht. Het hormoon relaxine, dat het bekken breder maakt en bij sommigen verantwoordelijk kan zijn voor bekkeninstabiliteit, zorgt ook voor soepelere gewrichten. Maar ook de toegenomen hoeveelheden oestrogenen en progesteron lijken, evenals de mannelijke hormonen, wat op natuurlijke doping.

Verklaart dat ook waarom zwangere vrouwen langer kunnen lopen, sneller zwemmen en intensiever fietsen? Veel atletes uit Oostbloklanden wonnen in de jaren zestig tot tachtig abnormaal veel medailles op de Olympische Spelen. In eerste instantie werden ze verdacht van hormoondoping, later van (verplichte) zwangerschapsdoping. Sovjetcoaches en -dokters hadden namelijk ontdekt dat tijdens de zwangerschap extra rode bloedcellen worden aangemaakt, waardoor longcapaciteit en spierkracht toenemen. Na een tiental weken mochten ze abortus plegen. Op een heel ander gebied is het trouwens ook een publiek geheim dat veel merries die in paardenrennen grote prijzen winnen, drachtig zijn.

Op de hoogte blijven over MyFamily? Meld je aan: